Bezoek van een oude vriendin
’s Middags haalde Monica haar vriendin van het station af. Ze was wat laat, of anders gezegd: ze had niet precies geweten, hoe laat Petra aan zou komen. Zo kwam het dat Petra, al op het perron stond, mager en klein, met opgetrokken schoudertjes en een reusachtige koffer bij zich.
‘Hemeltje, Petra, wat heb je eigenlijk allemaal in die knots van een koffer zitten?’ riep Monica.
‘Dingen om aan te doen.’
‘Zoveel?’
‘Je kunt toch nooit weten.’
‘Laat maar, ik ben veel te blij dat je er bent!’ Monica lachte en maakte een rondedans om haar vriendin heen.
‘Wat zullen we samen een plezier hebben!’
Dat plezier begon al, toen ze eerst moesten zorgen dat de koffer die loodzwaar was, thuiskwam. Maar ze maakten er geen probleem van en zetten hem om de paar stappen even neer; tijd hadden ze immers genoeg. Ze hadden elkaar weliswaar vorige dinsdag, toen Monica rijles had in de stad, nog gezien, maar toch had Petra allerlei nieuwtjes uit Monica’s oude klas te vertellen.
Monica zelf was stiller dan gewoonlijk. Het besef dat ze niet mocht praten over datgene wat haar zo bezighield, maakte haar zwijgzaam. En de belofte aan haar vader om niet over Amadeus te praten, was eigenlijk niet eens het ergste. Tenslotte was Petra niet voor niets haar beste vriendin, en vriendschap gaat vóór familie, dacht Monica tenminste. Maar ze wist dat Petra ontzettend bang was en misschien helemaal niet in het huis aan de vijver met de waterlelies blijven wilde, als ze wist dat daar een levensecht spook rondwaarde.
Wanneer ze elkaar in de stad zagen was het helemaal niet zo moeilijk geweest haar mond te houden. Maar hoe het hier moest gaan, wist Monica zelf niet.
Was een vriendschap, waarin je niet mocht praten over zo’n belangrijk geheim, eigenlijk nog wel een echte vriendschap? Geleidelijk aan begon Monica te denken dat het misschien beter was Petra de waarheid te zeggen en haar dan zelf te laten beslissen of ze met Amadeus onder één dak wilde zijn of niet. Maar voorlopig wilde ze nog niet aan deze gedachte toegeven en praatte ze zichzelf in dat alles wel goed zou gaan.
Petra, die niets van dit alles vermoedde, was opgetogen over het mooie huis aan de vijver met de waterlelies. Toen ze de koffer eindelijk naar binnen en de trap op gesleept hadden, moest natuurlijk eerst alles bezichtigd worden: de enorme woonkamer met de vele deuren, de erker met de leuke ruitjes, het uitzicht op de vlak daaronder liggende vijver met de waterlelies, de grote keuken met de vloer van rode plavuizen en het vrijstaande fornuis in het midden, de kamers van vader en moeder Smit en vervolgens natuurlijk de stal.
Petra hield evenveel van paarden als Monica, hoewel ze zelf nog niet mocht rijden, omdat ze nog te klein was en niet zwaar genoeg.
‘Maar als Bodo goed en wel hier is,’ zei ze, ‘dan kom ik in de zomervakantie hier en dan mag ik hem verzorgen, goed?’
‘Helpen verzorgen,’ verbeterde Monica.
‘Ik kan het heus alleen wel af!’
‘Niks hoor. Zo’n zadel is heel erg zwaar, je zou er door platgedrukt worden!’
‘Goed, dat doe jij dan maar! Jij gaat er immers ook op rijden.’
Petra was onder de indruk van de grote stal. De vloer lag zo hoog, dat er geen regenwater naar binnen kon lopen, maar het vocht uit de stal wel naar buiten. Hij bestond uit gebakken tegels, was niet te warm en niet te koud en kon zonder veel moeite ontsmet worden.
‘Hier,’ zei Monica, terwijl ze wees naar een vierkant van vier bij vier meter dat ze met krijt op de vloer had getekend, ‘komt de box. Die maken we met een laag aarde extra warm en zacht. Daarnaast komt het hok voor het zadel en de mestvork en vlak daarnaast weer een ruimte voor hooi en voer.’
‘Maar jullie hebben toch ook nog een schuur?’
‘Jawel. Maar daarin wil mijn moeder haar pottenbakkerij gaan maken.’
Petra draaide zich om haar as. ‘Dan heb je hier nog wel een boel te doen!’
‘Ja, hè! Het beste kunnen we maar meteen beginnen. Kijk, hier is het eind van de giergoot. Daarvandaan moet buiten een kanaal gegraven worden. Mijn vader heeft de afstand al aangegeven.’ Monica trok Petra mee naar buiten. ‘Laten we meteen de schoppen halen!’
Petra was enthousiast en straalde. Maar na korte tijd bleek wel dat graven nu niet bepaald de meest geschikte bezigheid voor haar was. Ze deed echt haar best, maar al gauw moest ze toegeven dat ze niet meer kon.
‘Jij lichtgewicht!’ zei Monica niet onvriendelijk. ‘Hou me dan maar gezelschap en vertel me maar het een of ander.’
Dat wilde Petra wel. ‘Wat staat daar eigenlijk voor een huis?’ vroeg ze.
Monica groef ijverig verder. ‘Wat voor een huis?’
‘Dat daar op die heuvel... tussen de bomen.’
‘Och, dat zijn een paar muren... een soort ruïne.’
‘Zullen we er eens heengaan?’
‘Mij best! Maar pas als het regent.’
‘Waarom pas als het regent?’
‘Omdat we moeten werken als het mooi weer is.’
‘Jammer!’
Monica hief haar hoofd op, leunde op de schop en keek Petra aan. ‘Waarom ga je er niet alleen even naartoe? Er is wel niet veel te zien, maar je hebt er een leuk uitzicht.’
‘Liever niet.’
‘Waarom dan niet? Ik vind het niet erg even alleen te moeten werken.
Petra aarzelde even met antwoorden.
Monica’s rode haar, dat ze met een elastiekje in haar nek bij elkaar had gedaan, dreigde los te gaan en ze trok het weer aan. ‘Zeg maar gerust dat je niet durft!’
Daarmee was ze tamelijk dicht bij de waarheid, maar Petra had geen zin het toe te geven. ‘Die gekke ruïne interesseert me eigenlijk helemaal niet,’ beweerde ze.
Monica groef onverdroten verder, maar ze was toch blij dat het buiten langzamerhand donker en fris begon te worden en ze met werken moest ophouden.
Vader prees haar uitbundig, toen hij thuiskwam. ‘Prima gedaan!’ zei hij ‘Zo is het wel genoeg. Hier laten we dan de gierput op aansluiten. Maar daarbij moet Liane je helpen.’
‘Ingrid komt ook,’ meldde Monica.
‘Wie is Ingrid?’ vroeg Petra meteen.
‘Iemand uit mijn klas.’
‘Heb je een nieuwe vriendin? Daar heb je me niets over gezegd.’
‘Ingrid is geen vriendin,’ verklaarde Monica op besliste toon. ‘We lopen alleen dezelfde weg naar school.’
‘Dan had je haar ook niet hoeven laten komen!’
‘Denk je dat die geweldige hulp van jou genoeg is?’
‘Hou daarmee op!’ mengde meneer Smit zich in het gekrakeel. ‘Jullie zijn me een mooi stel vriendinnen, moet ik zeggen. Nog geen middag bij elkaar of jullie maken al ruzie!’
‘Het spijt me, Petra,’ , zei Monica toegeeflijk, ‘ik wilde je niet kwetsen, maar je hoeft helemaal niet jaloers op Ingrid te zijn. Zij is nog nooit hier geweest en ik niet bij haar, ook al woont ze vlakbij in Heidehuizen. We gaan alleen samen naar school.’
‘Waarom heb je me nooit iets over haar verteld?’
‘Omdat er helemaal niets te vertellen valt. Jij bent en blijft mijn enige vriendin, ook al ben je maar een lichtgewicht.’
Daarmee was de vrede weer getekend.
Voor het avondeten was er ter ere van Petra’s bezoek en om het begin van de vakantie te vieren iets heel lekkers: kip met frieten — niemand kon die zo lekker knapperig maken als mevrouw Smit — verse sla en als toetje koude griesmeelpudding.
Toen de tafel afgeruimd en de keuken weer opgeruimd was, begonnen ze met zijn allen aan een groot gezelschapsspel. Zo verstreek de avond heel gezellig, zonder dat een van de Smitten ook maar een ogenblik aan Amadeus dacht.
Pas toen Monica en Petra aanstalten maakten om naar boven te gaan, viel Petra’s oog op het olieverfschilderij dat Amadeus voorstelde. Monica had het inmiddels grondig en zorgvuldig schoongemaakt en nu zag het er dan ook heel aardig uit.
‘Hoe komen jullie daaraan?’ vroeg Petra.
‘Dat was nog in het huis. Het heeft er altijd gehangen.’
‘O.’
‘Ja,’ zei Monica, ‘we noemen het Amadeus.’
‘Waarom?’
‘Zo maar.’ Monica wisselde een vlugge blik met haar vader. ‘We weten immers niet, wie het in werkelijkheid voorstelt. Maar ga je mee, dan kunnen we op mijn kamer gezellig verder praten.’ Ze stond op.
‘Niet te lang,’ zei moeder, maar je kon aan haar merken dat het niet al te ernstig gemeend was. Dat was wel te begrijpen, want als twee vriendinnen die het noodlot van elkaar gescheiden heeft, op dezelfde kamer slapen, dan duurt het, zoals de ervaring leert, altijd lang, voordat het eindelijk rustig wordt.
De logeerkamer was nog niet ingericht en bovendien zou het maar half zo leuk zijn geweest, als Petra niet bij Monica had mogen slapen. Een bank was er niet en daarom had Monica gewoon een veldbed uitgeklapt, haar beddengoed daarop gelegd en haar eigen bed met schone lakens gastvrij aan Petra toegewezen.
De meisjes deden al gauw het licht uit. Ze babbelden en giechelden, gaven zich over aan herinneringen en hadden het over hun wensen en verwachtingen. Als Monica niet zo hard gewerkt had, zouden ze zeker nog niet geslapen hebben, toen de anderen, die naar een laat tv programma gekeken hadden, naar boven kwamen. Maar nu vielen Monica’s ogen al snel toe en spoedig daarna viel ook Petra in slaap.
Middenin de nacht werd Monica door een gil wakker gemaakt. ‘Monica!’ Ze schoot overeind en zag dat Petra het licht aangedaan had.
‘Wat is er?’ vroeg ze slaperig.
‘Je hebt de dekens van me afgetrokken!’
‘Ik? Nee hoor, echt niet!’
‘Wie heeft het dan gedaan?’
Monica wist het antwoord, maar ze zei het niet.
‘Niemand,’ beweerde ze. ‘De dekens zijn gewoon van het bed gegleden. Als je eens wist hoe vaak mij dat al overkomen is!’
In werkelijkheid was ze behoorlijk geschrokken. Ze begreep dat Amadeus weer eens aan het werk was geweest. Al had ze zelf geen angst voor hem, ze wist dat Petra ontzettend bang voor spoken was. Ze zou zeker dadelijk haar koffers pakken en er vandoor gaan, als ze zou merken dat het in het huis aan de vijver met de waterlelies spookte. Daarom lag ze nog steeds met kloppend hart wakker, toen Petra allang weer in slaap was gevallen. De leuke, gekleurde gordijnen waren dicht gedaan en daarom was het tamelijk donker in de kamer, ook al scheen buiten de maan. Natuurlijk had Petra het lampje op het nachtkastje uitgedaan, voordat ze was gaan slapen. Maar geleidelijk wenden Monica’s ogen aan het donker en kon ze tenminste de omtrekken van de dingen herkennen. Zo zag ze ook hoe Petra’s dekens voor de tweede keer met een handige ruk weggetrokken werden.
‘Schaam je, Amadeus!’ fluisterde ze nijdig. ‘Niet nu!’
Op het zelfde moment schoot Petra met een snerpende gil overeind. ‘Mijn dekens!’
‘Je hebt je losgewoeld!’ verzekerde Monica.
‘Hoe kan dat nou?’
‘Toch wel hoor! Ik heb naar je liggen kijken. Je slaapt ontzettend onrustig. Heb je naar gedroomd?’
Petra streek met haar hand over haar voorhoofd. ‘Ik weet het niet meer.’
‘Vast en zeker. Je lag voortdurend te draaien. Wat is er toch aan de hand met je?’
‘Ik weet het echt niet,’ zei Petra klaaglijk.
‘Drink een slok water en probeer weer te gaan slapen. Ik let wel op je. Je bent veiliger dan in je eigen bed.’
Maar Petra kon niet zo snel opnieuw in slaap komen; ze deed het licht aan en ging overeind zitten. ‘Zeg, je hebt me toch eens verteld dat het hier in huis spookt.’
‘Ja, dat heb ik je wel verteld, maar het is natuurlijk
‘En als het nou toch eens een spook geweest is die de dekens van me heeft afgetrokken?’
‘Nou verzin je toch echt maar wat, Petra! Ik was toevallig nog wakker en ik heb zelf gezien dat je je blootgewoeld hebt.’
‘Echt waar?’
‘Ja, echt waar. Ga maar weer slapen. Je weet dat we morgen veel te doen hebben.’ Gehoorzaam deed Petra het licht weer uit en rolde zich op haar zij.
Maar Monica wist niet of ze nu echt sliep. Zelf was ze in ieder geval klaarwakker. Ze had wel door dat het met Petra zou misgaan, als Amadeus niet ophield haar te plagen. Ze moest dus met hem praten. Maar in Petra’s bijzijn ging dat natuurlijk niet.
Lange tijd bleef ze rustig liggen en wachtte ze af.
Toen fluisterde ze: ‘Petra, pssst!’
Petra gaf geen antwoord.
Monica voegde er nog de slimme vraag aan toe: ‘Slaap je al?’
Toen Petra niet reageerde, besloot ze het er maar op te wagen. Stilletjes, heel zachtjes stond ze op, schoot in haar slippers en deed haar badjas aan. Toen verliet ze de kamer, de deur onhoorbaar sluitend.